Wat kan een wandelaar met de vorige stukjes?

Het is absoluut niet mijn bedoeling, dat alle wandelaars ook gaan snelwandelen. Hopelijk helpen de stukjes in de WSB bij het nadenken over de vraag, wat ieder van ons met haar of zijn wandelen wil. Daarom geef ik een samenvatting van een aantal hoofdpunten uit de verschenen verhaaltjes.

Dag-kilometer-regel

Iedereen heeft wel eens gehoord, dat marathonlopers na een voltooide marathon de eerste zes weken geen volgende tocht van gelijke of langere afstand moeten lopen. Voor sporters geldt: Na een marathonwedstrijd van 42 kilometer moet je evenveel dagen geen soortgelijke wedstrijd lopen. Die regel geldt niet slechts voor de marathon, doch voor elke wedstrijdafstand. Eťn van onze junioren merkte dat in mei heel duidelijk. Op vrijdagavond ging hij bij een vijfduizend meter maximaal, kwam tot een persoonlijk record, maar was de zondagmiddag er na niet vooruit te branden. En toen ging het om een kampioenschap! Samengevat luidt de regel: Voor elke kilometer, die een wedstrijd lang is, moet je een dag geen soortgelijke of langere wedstrijd lopen. Wat moet een wandelaar daar nu mee?

Realiseer je, dat elke wandeltocht ůůk een topprestatie kan zijn en niet alleen de lange zware wandeling. Voor mensen, die minder vlot kunnen bewegen, zal een avondvierdaagsewandeling al een topprestatie zijn! Dat heb ik talloze malen gezien in mijn jaren voor de klas. Meewandelende ouders moesten daarbij voor de vijf veel dieper gaan dan ik voor de vijftig van Apeldoorn. Pas deze dag-kilometer-regel gerust toe bij een wandeling, die erg veel van je gevraagd heeft!

Bij de overige lange afstandstochten (boven de zestig km) wordt vaak de dag-mijl-regel gehanteerd. Voor elke mijl (1,6 kilometer), die een tocht lang is, moet je een dag geen tocht van geijke of grotere omvang wandelen. Bedenk, dat vooral de nachttochten zeer ingrijpend zijn voor je lichaam. Ik was erg blij met de opmerking in de laatste WSB van Henk Vuijk. Hij vindt per twee maanden ťťn tocht van honderd kilometer of meer mooi. Dat komt een eind overeen met de dag-mijl-regel. Alleen zou ik bij tochten als Nijmegen-Rotterdam of Amsterdam-Leeuwarden eerder aan drie dan aan twee maanden denken! Vraag je ook eens af, waarom de mensen, die Parijs-Amsterdam gewandeld hebben, dit jaar bijna allemaal met veel lichamelijke klachten kampen.

Wat in Voorbereidingsperiode twee doen?

We gaan in deze maanden verder met het leggen van de basis, maar het uithoudingsvermogen moet nu meer specifiek geoefend worden. Dat betekent, dat we hardlopen en andere bewegingsvormen meer gaan vervangen door (snel)wandelen.

Wat je in 2000 zult kunnen presteren, hangt voor een groot deel af, van wat je in november tot en met maart als fundament hebt gelegd! Als er geen basis is, bouw je op drijfzand. Een snelwandelaar, die mij in sporthal "de Vang" vertelt, dat hij in het voorjaar wel weer begint met trainen, heeft de trainingsprincipes helaas nog niet door.

In Runner's World van december 1999 staat een interview met Gabriela Szabo, wereldkampioene op de 5.000 meter hardlopen. Haar trainer gebruikt ook de beeldspraak van de goede fundering van een huis, die voor hardlopers bestaat uit duurwerk in herfst, winter en lente. Gabriela maakt weken met 120 kilometer oplopend tot 200 kilometer. In dit interview staat veel behartenswaardigs, dat van belang is voor elke atleet en dus ook voor de wandelaar. Niet alles is voor ons toepasbaar, maar de grote lijnen sluiten wel bij onze wandelsport aan. Wil je een fotokopie, bel mij dan gerust op.

Gymnastiek

Verdeel je lichaam in drie stukken en doe achtereenvolgens een oefening per sector. De drie gebieden zijn:

Zie voor de eerste oefeningen de WSB van november 1999.

Ad a:

Ad b:

Ad c:

Philip Krul